De debuutroman van Willemijn Dicke, Mea, is verschenen. Bent u benieuwd wat haar bezig houdt en hoe ze deze bijzondere periode ervaart? Vanaf 27 april heeft ze een week lang elke dag haar belevenissen met ons gedeeld. Wilt u weten hoe het nu is met haar boek en haar belevenissen? Kijk dan op www.willemijndicke.nl
Allengs stiller (5 mei 2009)
Ik ben blij met de recensie in het tijdschrift JAN: ‘Mea is vlot geschreven en leest als een literaire soap over de bij vlagen hilarische worstelingen van een cynische carrièrevrouw in de overgang.’ Een collega van mij had ook al voorgesteld om er een soap van te maken, ‘een soort Evelien maar dan in de academische wereld.’ Daar durf ik niet eens van te dromen.
Onder collega’s is het raden naar het wie-is-wie voorzichtig begonnen. Want Mea mag een psychologische roman zijn over een vrouw in de overgang, het is óók een sleutelroman van de Nederlandse bestuurskunde en politicologie. De puzzel is nog niet compleet. De leukste reactie was misschien die van een redelijk ijdele hoogleraar (voor zover dat geen pleonasme is): ‘Waarom sta ik er niet in?’
Op de mail en per sms merk ik nog wel dat er gelezen wordt, maar in de pers wordt het na een drukke week allengs stiller. Vandaag, dinsdag, om 16.15 nog een (radio)recensie bij Maria Heiden, en dat is het dan, voorlopig.
Het Grote Wachten is begonnen. Zullen er nog boekbesprekingen volgen? Wat zal het boek ‘gaan doen’? Maar laat het wachten niet ijdel zijn. Ik ben volop bezig met mijn tweede roman. Afgelopen vrijdag maakte ik een verkennende fietstocht naar een jaren negentig nieuwbouwwijk in Rotterdam waar mijn personage woont. Ik kende haar al, maar nu ik ook haar huis, oprijlaantje en haar auto’s heb gezien, gaat het nog gemakkelijker.
Misschien schrijf ik over een jaar weer een weblog hier bij Atlas, ter gelegenheid van mijn tweede boek (werktitel: de zwembadmoeder.) Graag tot dan. Of in de tussentijd bij Louterlog.
Over adrenaline. En twijfel. (30 april 2009)
Vrienden, tantes, buurmannen, schoonzussen en collega’s lezen inmiddels Mea en vinden er iets van. De smsjes en mailtjes met vragen, opmerkingen en suggesties komen binnen. Ik hoor vast niet alles (en laat dat maar zo blijven) maar een mooie reactie kwam van mijn buurman, die bij dezelfde universiteit werkt als ik. Hij zat in de tuin in Mea te lezen toen ik met twee kindjes aan mijn rokken de spullen voor de kleedjesmarkt bijeenzocht. ‘Als ik het boek uit heb, weet ik niet of ik nog in de academische wereld wil werken. Of er überhaupt nog iemand wil werken.’
Op mijn site kunnen belangstellenden een boek kopen, als ze een gesigneerde roman zouden verkiezen boven een maagdelijk exemplaar. Reeds tien bestellingen! Fijn, geweldig, maar ook een behoorlijke uitdaging, gezien mijn geringe administratieve competenties, merkte mijn man terecht op. Enveloppen open ik zelden; de plastic brievenbakjes zijn alle doorgebroken onder het gewicht van de ongeopende post. Na nare ervaringen met incassobureaus heb ik de diensten van een boekhouder ingeroepen. Eens per kwartaal presenteer ik mijn bonnen in een schoenendoos. Ik koos hem vanwege zijn naam, die Elsschot potentie heeft. Meneer Kreukniet heet hij. (Maar heus. Het gaat goed komen met het versturen van de romans. Ze zijn alle tien al op de post.)
Tussendoor kwam een vakantieboek uit (Human Holidays) waarin ik een verhaal heb geschreven. Nog een debuutje. Allemaal in één week.
Na drie dagen riding-the-waves begint de adrenaline te zakken. Morgen wordt een gewone werkdag. Ik ga schrijven aan mijn tweede roman, die al een eind op streek is. Anders dan Mea, schrijft dit boek zichzelf. Ik weet nog niet of dat een goed of slecht teken is. Maar dat wist ik van Mea ook niet, tot aan de laatste drukproef. Zou die twijfel ooit verdwijnen?
De day after (29 april)
Ik voel me zoals je je kunt voelen na een bruiloft, denk ik (zeker weten doe ik het niet want mijn man weigert met me te trouwen, ik heb ‘m al drie maal gevraagd).
De dag begon goed. Meteen toen ik wakker werd, rende ik naar beneden om de krant van de mat te halen en las dit interview. En een interview op de radio.
De boekpresentatie was een feest waar alles goed was. Er was drank, ongelooflijke gastvrijheid bij boekhandel van Gennep, lieve praatjes, een jurk die deed wat-ie moest doen, een koopgraag publiek dat eerst de stapels bij de toonbank wegwerkte en toen nog de etalage bij de boekhandel helemaal leeg kocht.
Tijdens de nazit in mijn favoriete café, ver voorbij twaalven, verkocht ik mijn eigen beduimelde exemplaren aan een kroegbaas uit Malaga en aan een kroegtijger die mij verzekerde dat zij Mea was, het hoofdpersonage: ‘ik bén alleenstaande moeder, ik bén universitair hoofddocent, ik heb hennarood geverfd haar, dit boek gaat over mij.’ Toen deze vrouw wegging, zag ik dat ze, net als Mea, ook nog eens een glimmende regenjas aantrok. Mea bestaat.

De boekpresentatie (28 april 2009)
Al maanden vroegen collega’s, familieleden en moeders van vriendjes van mijn kinderen niet meer naar mijn dagelijkse werk, maar alleen nog naar De Roman. Het schrijven van een ongepubliceerd boek is kennelijk vele malen sexier dan welke andere bezigheid of prestatie dan ook.
Na enige tijd begon die aandacht voor het boek dat er nog niet was -nog steeds niet?- te slijten. Want het duurde lang, die weg van voltooid manuscript, naar eerste drukproef, tweede drukproef, tot aan een echt boek dat je van kaft tot kaft in handen kunt houden. (Note to self: begin pas over een boek in wording te spreken als het er echt bijna is. Denk aan de spanningsboog van buurmannen en collega’s).
Vanaf vandaag kan iedereen die dat wil mijn boek vasthouden. En hoewel ik heb uitgekeken naar dit moment, zie ik er nu opeens ook tegenop. Niet tegen het feest. Dat wordt mooi en goed. Mijn aarzeling betreft het abrupte einde van de exclusieve relatie die ik met Mea had. Opeens wordt ze openbaar bezit. Iedereen kan iets van haar vinden of haar karaktereigenschappen invullen. Ze wordt door anderen gekend en beoordeeld.
Twee jaar lang was Mea mijn reisgezel. Alleen mijn man en mijn redacteur kenden haar. Maar nu ik vragen krijg van mensen buiten de kring van Mea’s intimi, merk ik dat de nieuwe lezers hun eigen kleur aan Mea geven. Ook letterlijk. Voor mij is het duidelijk dat ze geverfd haar heeft, hennarood. Maar sommige nieuwe lezers denken daar anders over. En ik geloof dat ik bijna jaloers begin te worden; She is mine. En denk niet, dat jij als lezer die vluchtig door die pagina’s rent net zo’n goede verstandhouding met haar kan hebben als ik.
Jaloezie. Dat was de laatste emotie die ik van mezelf had verwacht in mijn verhouding met Mea.
Nog iets geks. Tot mijn verbazing voel ik de behoefte om Mea te verdedigen. Ja, het is een zuur incompetent wijf. En ja, als moeder bakt ze er niets van. Maar hé, die dochter is ook een secreet. En zo gemakkelijk is het niet om carrière te maken op de universiteit, vooral niet als alleenstaande moeder.
Niet al mijn beslommeringen zijn van meta-aard. Mijn jurk moet nog gestreken worden; wie bedank ik wel en wie niet in mijn toespraakje dat vooral kort-korter-kortst moet zijn volgens mensen die het kunnen weten. En hoe kom ik in godsnaam met die taps toelopende jurk, die niet is gemaakt om te lopen, laat staan om te fietsen, bij de boekhandel.
Interviews (27 april 2009)
I.
In aanloop naar de presentatie van mijn debuut waren er enkele interviews gepland. Ik vroeg vrienden en experts om tips.
‘Zorg dat je niet in de categorie chick lit gaat vallen’ wist een vriendschrijver van mij. (Maar hoe voorkom je dat?)
‘Vertel aan iedere interviewer een andere anekdote’ wist de communicatiemevrouw. (Maar wat nu als ze allemaal hetzelfde vragen?)
‘Mystificeer’ zei iemand die het kan weten. (Maar wát zou ik moeten mystificeren?)
‘Lieg, maar wel op een mooie manier.’
Ik was voorbereid.
II.
Ik (38 jaar) zat tegenover de interviewer. Ze vroeg me waar mijn boek over ging. Nou, over een zuur wijf van middelbare leeftijd, net voorbij de vijftig, die incapabel is en met procedureel gedram haar positie op de universiteit heeft bereikt.
Aha. Was het boek dus autobiografisch, was ik dus het hoofdpersonage Mea, wilde de interviewer weten.
Ik vergat het liegen en mystificeren.
III.
Mijn mobiel ging. De journalist met wie ik morgen een afspraak had, vroeg of het interview verzet kon worden. Ze had mijn boek nog niet uit.
IV.
De fotograaf van de krant kwam precies op tijd. Onder het koffiedrinken liep hij hoofdschuddend rond, dook onder tafel, liep naar boven en beneden, keek in de tuin, bukte nog eens, keek bij het raam, liep rond op het balkon. Hij zuchtte. Dan maar bij het aanrecht. Ik poseerde op zijn aanwijzingen.
‘Dit wordt helemaal niets.’
Ik verontschuldigde me.
‘Het ligt niet aan jou, het is het licht. Ik zoek een Vermeertje.’
V.
De journaliste kwam binnen.
‘Ik vind je boek geweldig. Echt ongelooflijk. En zulke mooie zinnen.’
Hoe degelijk mijn voorbereidingen ook, ik was niet bedacht op zulke complimenten.