Cordula Rooijendijk (1973) werd geboren in de Amsterdamse
Bijlmermeer, en groeide op in Amstelveen. Ze studeerde sociale geografie
aan de Universiteit van Amsterdam, waar ze in 2001 cum laude
afstudeerde. Als AIO gaf ze van 2001 tot 2005 colleges over de
geschiedenis van Amsterdam aan Nederlandse en buitenlandse studenten,
samen met de historici Geert Mak en Michiel Wagenaar, en schreef het
proefschrift That city is mine! over de geschiedenis van
stedelijke ideaalbeelden in Amsterdam en Rotterdam, waarop ze in mei
2005 promoveerde. Sindsdien werkt ze als zelfstandig onderzoeker en
schrijver.
In 2007 verscheen haar debuut Alles moest nog worden
uitgevonden, over de geschiedenis van Nederlandse computerpioniers
en hun uitvindingen. Dat jaar besloot ze ook de verkorte PABO-opleiding
aan de Hogeschool van Amsterdam te gaan volgen. Sindsdien geeft ze les
op een Amsterdamse basisschool. In 2009 verscheen Waterwolven, een
geschiedenis van stormvloeden, dijkenbouwers en droogmakers, waarvoor ze het Lintje van de Boekverkoper ontving. Haar
derde boek kwam uit in 2010: Grootvader Piepestok,
een geschiedenis van Nederlandse schoolmeesters. Van haar
hand verschenen verscheidene opiniestukken in onder andere de
Volkskrant en Trouw. Rooijendijk schrijft
momenteel aan een boek over de
Nederlandse handel.
|