Alle woorden zijn me even lief
Umar Bin Hassan over 'demons', dichters, gangsta's en de The Last Poets
Zodra we de taxi uitstapten, ergens halverwege de 125 ste Straat, midden in Harlem, maakte zich een soort opgewekte nervositeit van Umar Bin Hassan meester. Alsof hij zich eindelijk ontspande en tegelijkertijd op zijn hoede was. Een schichtige oogopslag. De rug wat gebogen. Geen voorbijganger die aan zijn blik ontsnapte. Het was een uur of tien in de avond, maar op de 125 ste Straat was het alsof zon nog volop scheen. Hel geel licht stroomde overdadig uit winkeletalages, fastfood restaurants en eethuisjes. Ik hoorde het blikken geluid van muzak, doffe dreunende ritmes, en het opgewonden geclaxoneer van auto's. Vrijdagavond. We staken de weg over en liepen in de richting van Lenox Avenue. Af en toe haalde Umar Bin Hassan (1948, Akron, Ohio) een herinnering op. "Ik zei nog tegen Abiodun: 'come on man, ga met mij mee.' Maar hij moest en zou met de Panthers dat land bezetten. Zo kwam hij terecht in dat gun-thing van hem." Of: "Ik was een Prins in Harlem. Iedereen kende Umar de Last Poet." En, even later, wijzend naar een paar roestige vuilcontainers in een achterafstraatje: "Daarin sliep ik om warm te blijven. Niemand geloofde dat ik zo laag was gezonken." Een paar uur eerder, in de woonkamer van Abiodun Oyewole, had Bin Hassan me verteld over zijn 'demons', zoals hij zijn drugsverslaving omschreef. Jaren lang, van het einde van de jaren zeventig tot dat moment dat hij bij Abiodun aanbelde en hem vroeg weer een Last Poet te worden, hadden die demonen hem de straat op gedreven, van het ene crackhouse naar het andere, zichzelf in leven houdend door te hosselen en te dealen. Of een vrouw nam hem in huis, een stripper was ze, zelf een crackhead. Zo ging dat. Van die demonen had hij nog steeds last. Die zouden de rest van zijn leven wel bij hem blijven. Maar de meeste tijd was hij nu zelf de baas, en niet zij. En hij was naar Detroit verhuisd, naar een huis met een veranda in een rustige buitenwijk. In Harlem kon je dope kopen alsof het om snoepgoed ging. De lucht was zwoel en vochtig. De stemming op straat ontspannen, uitgelaten bijna. Overal waar je keek stonden groepjes mensen te praten. Mannen, vrouwen, kinderen, er waren veel kleine kinderen op straat. Midden op Lenox Avenue stond Umar Bin Hassan plotseling stil en wees naar het metrostation een eindje verderop. "Daar stond ik toen ik voor het eerst in New York aankwam, in februari 1969. Ik had een opschrijfboekje met gedichten bij me, een spijkerbroek en 22 dollarcent. En het adres van The Last Poets. Ik had de pickup van mijn zuster verkocht om een busticket te kunnen kopen. Ik wilde dichter worden. Dat was het enige wat ik wist. Er moest toch meer zijn dan werken in een rubberfabriek in Akron, Ohio? Wat haatte ik dat smerige werk. En die zwarte kerels die beweerden dat je het toch goed voor elkaar had als je zo'n baan had. Die vonden het heerlijk om voor blanken te werken. Ik weet nog dat ik daar stond, mijn rug tegen de muur omdat ik nog nooit zoveel zwarten bij elkaar had gezien, niet zoveel verschillende zwarten. Moslims, Panthers, mooie vrouwen, overweldigend was het."
"Umar is de enige man voor wie ik ooit een liefdesgedicht schreef", had Abiodun de vorige avond gezegd. "I wanna take the pain out of your eyes brother. Umar denkt dat iedereen een spelletje met hem speelt. Een echte schorpioen." Oyewoles woorden flitsten door mijn hoofd terwijl we door Harlem slenterden. Ik moest denken aan het gesprek in de flat aan de Morningside Drive, hoe Umar Bin Hassan praatte, binnensmonds, mompelend soms, woorden inslikkend, het ene onthutsende beeld op het andere stapelend. De hele nacht had hij in de bus gezeten van Detroit naar New York City, nadat ik hem door de telefoon had gezworen zijn ticket te betalen. "Do you think I'm hustling you?", had hij me toegebeten, toen ik beleefd vroeg hoeveel het kostte. "Who are you? What do you want?" Nu leek alle wantrouwen vervlogen. Ik begon te begrijpen wat Abiodun bedoelde. Bin Hassans aanwezigheid en openhartigheid hadden iets schokkends. En dat kwam niet alleen door zijn verhalen waarin armoede, geplande moorden, hoeren en pooiers een even grote rol speelden als muziek, poezie en liefde en verlangen. Wat schokte was Bin Hassans absolute weigering zich ook maar een moment beter voor te doen dan hij was. Alsof hij alle verdegingsmechanismen die een mens kan hebben, had afgelegd. Daardoor zat hij meteen dicht op je huid. Wanneer je hem eenmaal ontmoet had, vergat je hem van je levensdagen niet meer. Zijn gedichten hadden precies hetzelfde effect. Zelfs op muziek, melodieus voorgedragen en goed verstaanbaar, waren ze als granaten die ontploften. '…dream books and poor black women dancing with their welfare cheques in subsidized dreams and empty cognac bottles pretending to be romance and warm hugs and tears on the verge of denying the children their future for a chance to experience and enjoy the true meaning of just one loving kiss.' Epische vertellingen waren het, soms op rijm, wervelende gedachtenstromen waarin de woorden versmolten met de hoge, transparante klank van Umars stem. Alsof je in een snelle auto door de nacht scheurde, de stad niet meer dan een paar vervagende lichtflitsen, en opeens was het dag, en stond je ergens op een open vlakte in het midwesten van Amerika '….the soft tones of the rainbow smiling through the river's mist cooling the warmth and passion of time waiting for us to come home.' "Mijn woorden zijn muziek", had Bin Hassan gezegd. 'Dat komt door mijn vader, die speelde trompet. Hij las noten en schreef liedjes en dat was heel wat voor een zwarte man in de jaren vijftig in Akron, Ohio. Daar draaide alles om werken in de fabriek, familie, kerk, God en Jezus. Als er big bands in de stad waren, vroegen ze mijn vader om mee te spelen. Hij had een mooie Soedanese bos haar, een afro, heel gewaagd voor die tijd. Zijn vader was ook een intellligente man, hij kende de Bijbel van voren naar achteren, maar mijn grootmoeder, mijn evil grootmoeder, maakte die mannen kapot. Ze kleineerde ze. 'Fuck music,' zei ze tegen mijn vader, 'je zult nooit muzikant worden. Get a job.' Ik weet niet waarom ze dat deed. Mijn vader zakte steeds verder weg, begon te drinken en terroriseerde ons. Later had ze het op mij gemunt, op alle mannen in de Huling-familie met enig talent, daarom moest ik weg… Midwestern images threatening the horizon. Hold back the pain. Hold back the rejection. I can. No you can't. I can. No you can't. You're not supposed to. I wil! "Mijn eerste gedichtje maakte ik op straat. Shoeshine Shoeshine, give your soul a treat/ Shoeshine shoeshine, can't be beat, zong ik. Ik was de oudste van acht broers en zusters en als de voedselbonnen op waren verdiende ik de kost met schoenenpoetsen en hosselen. Vanaf mijn achtste was ik altijd op straat, tussen de hoeren en de pooiers in Howard Street, prachtig vond ik dat, al die lichtjes, the human drama. Voor twee dollars zocht ik een klant voor een hoer. Sommige van die blanke perverts waren dol op zwarte jongetjes, ze kwamen aan hun gerief enkel door gore taal tegen ons uit te slaan, en wij kregen een paar dollars. Een keer hebben we zo'n vent in elkaar geslagen, tot bloedens toe, en hij riep, 'ga door!' Ik vond het vreselijk. Ik heb zijn geld niet gepakt. "Mommy leerde me me lezen; ze leerde me hoe ik woorden kon gebruiken. You see, toen ik klein was, kon ik ik amper praten. Ik stotterde zo erg, de woorden bleven steken in mijn keel. Ik sloeg alles wat ik om me heen zag gebeuren in me op, maar ik kon er niet over spreken. Verschrikkelijk. Mommy stelde me gerust. You'll be allright. Ik vond een truc. Ik begon in mijn hoofd te zingen: I-am-gon-na-learn-how-to-talk. Heel langzaam. I-am-gon-na-learn-how-to-talk, een melodietje. Zo eigende ik me woorden toe en uiteindelijk leerde ik praten. Wanneer ik nu een woord hoor, maakt niet uit wat voor woord, zie ik meteen beelden. Eigenlijk zou ik het liefst muzikant zijn, maar ik speel geen instrument. Words just come natural to me. En alle woorden zijn me even lief." Hij zakte onderuit in zijn stoel en keek me voor het eerst die avond recht aan. "Noem me een woord dat geen speciale sfeer of beelden oproept." Ik monsterde de kleine woonkamer. Ik zag een spiegel, hangplanten, een piano, een oude futonbank. "Bank", zei ik, omdat ik niet zo snel iets anders kon bedenken. "O bank… Ik zie mijn grootmoeder op de bank liggen, ze is stervende, ze ligt in haar eigen ontlasting en urine.. en…." Hij lachte in zichzelf. Een lachje waarin verbazing, schaamte en trots doorklonk. Hij zei: "Op een dag sloeg mijn vader mijn moeder zo erg dat ik besloot hem te vermoorden. Ik was elf. De man in huis. Mommy zei: 'You ain't gonna do nothing to your daddy', maar ik kocht een mes en wachtte hem 's avonds op. Net op tijd kwam mijn moeder de trap af en pakte het mes van me af. Mijn vader zag mommy met het mes en beukte haar in elkaar, maar toen hij vertrok keek hij mij aan, een blik in zijn ogen die zei: I knew it was you. Vroeger dacht ik dat hij gek was, maar nu zie ik dat hij pech had. Hij leefde in de verkeerde tijd , op de verkeerde plek. Hij zei dingen tegen me als: 'je moet jezelf zijn' en 'niet iedereen zal je gevoeligheid begrijpen.' Ik denk dat ik een Last Poet ben geworden om hem en mijn grootvader een stem te geven."
In een bar op Malcolm Boulevard dronken we een biertje. Muziek knalde uit de geluidsboxen, terwijl de televisie gewoon aanstond. 'Exodus' van Bob Marley. Destiny's Child, The Temptations. Achterin het cafe werd meeslepend gedanst. "Hoor je dat?", zei Bin Hassan , "de Temptations vond ik geweldig, en Marvin Gay. Toen ik een tiener was, kwam de Motown op. Van die glamorous zwarten die zulke muziek maakten. Dat gaf me het gevoel dat ik een ander leven kon hebben." Het was de tijd waarin de zwarte nationalistische beweging opbloeide. Malcolm X was een held. 'Going against the grain. Against all reason. Becoming an outlaw at a very very young age', zou Bin Hassan later over hem rappen. Een gedicht dat tegelijk een zelfportret was. 'Self-hatred wrapped up in a twisted, demented but well-controlled smile. Where is the pain? I love you brother.' In Yellow Springs, Ohio, tijdens een protestbijeenkomst, zag Umar de Last Poets optreden. Gylan Kain, Filipe Luciano, Nilija en Abiodun Oyewole. Het was 1968. Bin Hassan had zijn hustling-leven, zijn fancy auto's en zijn baantje in de rubberfabriek opgegeven en was een fanatieke zwarte nationalist geworden. Hoofd van de ordedienst was hij, een 38' en een 45' pistool onder zijn jasje. "Ik hoorde de drums, de woorden, hoe ze samen klonken…. Alsof ik door een lichtflits getroffen werd. Ik kon wel janken….!" Abiodun gaf hem het adres van de Poets in Harlem. Maar voordat hij uit het midwesten weg trok waren er de dagenlange gevechten tussen politie en zwarten in Akron, nadat de politie een zwarte jongen had mishandeld. De staat van beleg. Natuurlijk won de politie, ze hadden zwaardere wapens. Eenmaal in Harlem, Harlem, the only Harlem, I love it so much I hate it…werd Bin Hassan een Last Poet en schreef de klassieker 'Niggers are scared of revolution', nadat Dun hem had gevraagd wat hij had geleerd sinds zijn komst naar New York. 'You hear niggers say things are changing….But when it comes for real change/ Niggers are scared of revolution.' Een overweldigend gedicht waarvoor Bin Hassan putte uit zijn herinneringen aan Akron, aan de pimps, die zoveel rookten en dronken als ze wilden en nog rechtop liepen en die als het moest iemand omlegden. Aan dat soort niggers en andere stoere kerels. 'Niggers are players…Niggers are lovers….Niggers love anything but themselves.' Alsof hij een vooruitziende blik had. Een paar jaar later zou Bin Hassan, teleurgesteld in de revolutie, in corrupte kameraden , in de Poets die ruzieden en in het leven als getrouwde man, terug belanden op straat. "Dit is wat me overeind hield", zei Umar en hij doelde op de kroeg waar we zaten. "De muziek, de vrijheid om relaxed met mensen om te gaan , los van de buitenwereld, de warmte…" En de poezie. Hij schreef een paar van zijn beste gedichten tijdens zijn drugsperiode. Niet door die drugs, maar omdat zijn eigen woorden hem een ander leven beloofden. 'Games and lies were love should be…' Op een avond in 1985 pikte zijn zuster hem van straat op, hij was mager en ziek van de crack. Ze nam hem mee naar haar huis in Connecticut en lapte hem op. Een paar jaar zou hij bij haar blijven. "Mijn neefje draaide een keer een tape van een hiphopbandje Tribe Called Quest en ineens hoor ik mijn eigen gedicht… 'That's your uncle Jerome's voice', gilde mijn zus. Ze hadden mijn stem gesampled, zonder toestemming. Ik moest terug naar New York." Niet alleen om zijn geld te halen. De gangstarap was populair aan het worden. "Het ging over niggers en bitches, whores, fuck and pussy, zonder enige boodschap. Vernederend voor zwarte mensen. Ik vond dat we terug moesten komen. De Last Poets hadden nog steeds wat te zeggen.." Hij ging naar Abiodun. En werd door JalalNurridin en Suliaman El Hadi, andere Last Poets van het eerste uur, gevraagd 'Niggers are scared of revolution' uit te voeren in de speelfilm 'Poetic Justice', met rapper Tupac Shakur en Janet Jackson in de hoofdrollen. Umar kende Tupacs moeder Afina nog uit de tijd van de Black Panthers, maar Tupac, die een paar jaar later doddgeschoten zou worden, sprak tijdens de opnames geen woord tegen hem. "Ik zei nog: die arrogantie wordt zijn dood. Arrogance is the demon that wil kill us, before the white man, before the drive-bys…" Jalal wilde een nieuw album opnemen met de Poets, maar vertok naar Europa. Ondertussen traden Abiodun en Umar weer op, eerst in kleine zaaltjes in de buurt, en toen dat bekend werd werden ze al gauw gevraagd door scholen en universiteiten en clubs in de rest van land. En Umar nam een solo-album op. 'Be Bob or Be Dead.' Een persoonlijke overwinning op de dood. Hij was produktiever dan ooit en ieder gedicht dat hij schreef werd vanzelf een liefdesgedicht. 'To look at the sea and understand it's motion/ To understand tenderness and give it devotion.' De hunkering en het verlangen zijn grootste drijfveer. Zijn herinneringen een eindeloze bron van materiaal. Umar en Abiodun gingen op toernee door Europa. In Parijs, in de club Rapperhole, dook ineens Jalal op. "Voor ik er erg in had, stak hij me met een mes in mijn keel. Hij was kwaad en jaloers op Dun en mij. Hij wilde mijn stem kapot maken." In Londen kreeg Umar nauwelijks nog adem. Een spoedoperatie redde hem van de dood. "Ik diende geen aanklacht bij de politie in. Ik bewaarde hem voor mezelf. Dat is de gangstercode; als iemand aan jou komt, leg je hem om. Ik had zelfs een wapen geregeld. Maar eenmaal thuis liep ik door straten van New York en ik zag het gezicht van mijn vader voor me. 'Let it go boy', zei hij en ik bedacht dat ik in de gevangenis mijn kinderen nooit meer zou zien, dat alles wat ik had opgebouwd voor niks was geweest. Weer zag ik mijn vaders gezicht en ik besefte dat er bij al dit geweld in de zwarte gemeenschap, er een zwarte man moet zijn die zegt: 'Let it go!' Ik liet Jalal en vanaf die tijd kon ik andere dingen ook beter laten, de drugs bijvoorbeeld. Ik kon mijn gevoelens beter hanteren, vanaf die tijd kwam er een engelachtige bevlogenheid in mijn poezie."
einde
Met dank aan Rob Schroder en William de Bruijn van de VPRO
|
|